Home
14 landmarks
gebied
actueelwandelen fietsenarchief
links



       Geschiedenis van het gebied

Steentijd

De Neanderthaler of de Homo neanderthalensis werd in 1856 ontdekt in het Neanderthal te Mettmann nabij Düsseldorf in Duitsland. Achteraf is echter gebleken, dat het allereerste Neanderthalerskelet niet in Duitsland, maar wel in België ontdekt werd, namelijk in een grot te Engis nabij Luik en dit reeds in 1829.
Tegenwoordig zijn er botten van meer dan 400 verschillende individuen bekend. De gemiddelde Neanderthaler was meestal niet veel groter dan 1,60 m. Hij liep volkomen rechtop en dus niet gebogen zoals soms nog op oudere afbeeldingen te zien is. De Neanderthaler wordt echter ook gekenmerkt door een aantal typische anatomische karakteristieken. Neanderthalers hadden een vrij gedrongen lichaamsbouw. Ook hun zware wenkbrauwrichels en het ontbreken van een echte kin zijn zeer kenmerkend. Ze hadden waarschijnlijk ook een vrij grote neus. Hun herseninhoud was gemiddeld iets groter dan de onze. Neanderthalers aten zeer veel vlees en het waren uitstekende jagers. De werpspeer, die een bereik had van ongeveer 25 m, was hen reeds bekend. 250.000 jaar geleden was de Neanderthaler verbreid over grote gebieden van Europa en Azië (van Engeland tot Irak). De Neanderthalers waren dus mensen die duidelijk niet aan “grenzen” gebonden waren. De Neanderthaler was in feite een “grenzeloos” wezen.
Toch beïnvloedde het veranderende klimaat en milieu de verspreiding van de Neanderthaler sterk. Neanderthalers leefden bij voorkeur in de zogenaamde “Mammoetsteppe” met mammoets, paarden, rendieren, enz. Dat is een relatief ‘open ‘ landschap waar de grote kuddes grazers voldoende voedsel vonden om te overleven.
Het klimaat dat hierbij hoort is eerder gematigd, niet te warm en vochtig, niet te koud en droog.
Dat wordt bevestigd door de vondsten in de archeologische sites Belvèdére-Maastricht,  Veldwezelt-Hezerwater en Kesselt-Op de Schans. Er is geen enkele aanwijzing, dat er Neanderthalers in de Hezerwater-vallei aanwezig waren onder echt koude en droge of echt warme en vochtige klimatologische omstandigheden. Als het te koud was, waren de grote kuddes dieren niet aanwezig in Noordwest-Europa. En wanneer het klimaat tijdelijk warmer werd in tussenijstijden werd het landschap overdekt met climax-bossen. Daarin leven geen grote kuddes, maar veeleer solitaire dieren.

Bandkeramiek

In het Holoceen (10.000 jaar geleden tot nu) werd het klimaat veel milder. De afzettingen uit het Pleistoceen – de löss – bleek relatief vruchtbare en vooral goed ontwaterde landbouwgrond. Het was de enige grond waarop de Bandkeramiekers – de eerste landbouwers in Europa die zich rond 5300 v.Chr. hier vestigden -   uit de voeten konden. Hun landbouw was nog zo primitief dat er buiten de löss-gordel van hen nauwelijks sporen gevonden zijn. Zij kapten stukken bos rondom hun boerderij om daar landbouw te bedrijven. De boerderijen waren lange huizen, gebouwd van palen met ertussen vlechtwerkwanden. De dorpjes van 5-7 boerderijen bleven een paar honderd jaar bestaan. Op diverse plaatsen op het Lanakerveld zijn sporen van dergelijk Bandkeramiekers-nederzettingen terug gevonden. 

Ijzertijd

In de ijzertijd (na 800 v. Chr.) werden deze streken bewoond door wat meestal wordt aangeduid als 'Keltische stammen'. Archeologen onderscheiden meestal twee fases in de Keltische cultuur: de Hallstatt-cultuur (750- 450 v. Chr.) en de La Tène-cultuur, waarvan de laatste fase doorloopt tot de periode na de onderwerping door de Romeinen onder Caesar rond 50 v. Chr.

De Keltische samenleving was een sterk aristocratisch. De adel had clienten onder zich, die elke edelman onder meer van een privé-legertje voorzagen. Het stamhoofd had geen absoluut gezag; dat lag bij de jaarlijks verkozen magistraten. Het stamhoofd deelde zijn macht met de adel en de druïden. Deze adellijke cultuur werd gekenmerkt door vele conflicten over bezit van land, delfstoffen (zout, ijzer) of plaatsen.

In Frankrijk ontwikkelden zich in de latere La Tène-fase marktplaatsen, maar in de Lage Landen was dat veel minder het geval. Door deze conflicten en door de urbanisatie konden de Kelten geen weerstand bieden aan de Romeinen. Caesar zelfde meende dat de afwezigheid van stedelijke centra er de reden van was, dat de 'Belgae' de dappersten onder de Kelten waren.

In deze streken zijn sporen van deze aristocratische Keltische cultuur aangetroffen. In 1871 werd bij Eigenbilzen op de Kannesberg een Keltisch 'vorstengraf' uit 400 v. Chr. gevonden. Bij Neerharen kwam bij het graven van de Zuid-Willemsvaart in 1831 een Keltische zilveren vaas uit de late La Tène-periode uit de grond. Bij Kanne is een vluchtburcht gevonden.

De Keltische cultuur in Haspengouw behoort tot de Kempische groep, die door akkerbouw in de vorm van Celtic Fields wordt gekenmerkt - velden met een oppervlak van 40-60 ha, die door onregelmatige aarden walltetjes onderverdeeld waren in delen van 15-40 ha

Romeinse periode

In de gemeente Lanaken (Veldwezelt), tussen het Albertkanaal en de Nederlandse grens, ter hoogte van de grenspalen 82 tot en met 86 wordt sinds 2000 de leemontginning van de baksteenbakkerij Vandersanden archeologisch begeleid. Nadat een, vóór de start van de ontginning, uitgevoerde prospectie slechts magere resultaten had opgeleverd, was de verrassing dan ook groot toen bij de aanvang van de eerste ontzodingen van het terrein bewoningssporen aan het licht kwamen. Twee jaar later kunnen we een overzicht van ca. 2,5 ha nederzettingsterrein voorleggen. Het terrein heeft sporen opgeleverd uit de bronstijd, de ijzertijd, de Romeinse en de postmiddeleeuwse periode. Op een veel dieper niveau in de groeve zijn ook de bewoningshorizonten uit het midden paleolithicum aan het licht gekomen. We beperken het ovezicht tot de sporen uit de Romeinse tijd.

 

Het nederzettingsterrein van Veldwezelt maakt deel uit van de Haspengouwse lösszone, het zogenaamde villalandschap tussen de Romeinse stad Tongeren en de vicus van Maastricht. Het ligt op slechts een 5-tal km van laatstgenoemde nederzetting. Tot nu toe is altijd aangenomen dat de Romeins gedateerde nederzettingsterreinen in deze regio resten van Romeinse villae herbergen. De vondst te Veldwezelt bracht echter een bewoning van een geheel ander type aan het licht, vergelijkbaar met de inheems-Romeinse nederzettingen zoals we die tot nu toe in de civitas Tungrorum vooral van de noordelijke zandgronden kennen. De bewoningssporen situeren zich langs een diverticulum dat het terrein in ZW-NO-richting doorkruist. Twee parallelle afwateringsgreppels, met een onderlinge afstand van ca. 5 m boorden deze zijweg af. De nederzetting situeert zich ten noorden ervan. Ze vormt weliswaar één geheel, maar het sporenbestand kan toch in twee zones opgedeeld worden, een noordelijke en een zuidelijke.

 

In de noordelijke zone hebben minstens vijf tweeschepige woonstalhuizen van het type Alphen-Ekeren gestaan. Daarvan zijn alleen de rijen middenstaanders bewaard gebleven. Twee huizen hadden 4 centrale posten en drie huizen hadden er 5. De plattegronden kwamen in twee concentraties aan het licht, een westelijke en een oostelijke. In de westelijke hebben twee huizen elkaar in de tijd opgevolgd, in de oostelijke drie. De jongste twee huizen van deze laatste concentratie waren afgebrand. Verder bevonden zich in de noordelijke zone nog drie waterputten. Ze waren aangelegd in trechtervormige kuilen, waarvan de diameter varieert van 5 m tot 10 m. Ze zijn tot nu toe tot op een diepte van ca. 6 meter opgegraven. Naarmate de exploitatie van de leemgroeve verdergaat, zullen we ze tot op nog grotere diepte kunnen opgraven. Min of meer centraal tussen deze waterputten gelegen is ten slotte nog een kunstmatig aangelegde drinkpoel opgegraven. Hij heeft een onregelmatige vorm met afmetingen die variëren van ca. 30 m tot ca. 40 m diameter. De maximale diepte bedraagt vanaf het opgravingsvlak gemeten nog ca. 70 cm. Oorspronkelijk moet hij dan ook iets meer dan een meter diep geweest zijn. Zijn opvulling bestaat uit een drietal lagen. Onderaan bevindt zich een ca. 10 cm dikke geelgroene kleilaag. Daarop ligt een dunne, slechts op enkele plekken bewaard gebleven laag kiezel en dakpanfragmenten. De bovenste 60 à 70 cm bestaat uit een homogeen bruingrijs gekleurde opvullingslaag. We gaan ervan uit dat dergelijke uitgegraven depressies als drinkpoel voor vee hebben gediend. Het aanbrengen van een kiezellaag moet beletten dat het water vertroebelt op momenten waarop het vee in de poel staat. Al deze sporen worden ten noorden door een greppel begrensd, die over een lengte van zowat 75 m kan gevolgd worden. Naar alle waarschijnlijkheid is dit ook de grens van de nederzetting geweest.

 

In de zuidelijke zone, die onmiddellijk aan het diverticulum grenst, zijn de plattegronden van nog een drie woonstalhuizen herkenbaar. Van één plattegrond zijn vier middenstaanders bewaard gebleven, van een ander slechts twee. Een derde plattegrond wijkt enigszins van alle anderen af. Zo zijn de paalkuilen van de middenstaanders wat kleiner, staan ze eerder twee aan twee gegroepeerd en is hun onderlinge afstand iets geringer. Naast (en buiten) één van deze woonstalhuizen is een kleine kelder van ca. 2,80 m x 3 m aangetroffen. Een deel van de binnenwanden was met mergelstenen opgebouwd en een deel in hout en leem. Dit keldertje, waarop verder geen andere gebouwsporen aansluiten, is in de 3de eeuw afgebrand. Op de mergelstenen zijn brandsporen aanwezig, de lemen wanden zijn door de hitte rood uitgegloeid en in de vulling zat een dit pakket brandafval. Verder zijn de plattegronden van twee spiekers herkenbaar. Mogelijk hebben er meer op het terrein gestaan. In de zuidelijke zone zijn meer uitgegraven structuren aangetroffen dan in de noordelijke. De meest opvallende is een tweede drinkpoel, eveneens onregelmatig van plattegrond, met diameters die variëren van ca. 15 m tot ca. 25 m. Hij was vanaf het opgravingsvlak gemeten nog een 30-tal cm diep. Ook deze poel heeft op de bodem een verharding gehad, overwegend van dakpanfragmenten gemaakt. De zuidrand van de poel is met een houten beschoeiing afgezet. Andere opmerkelijke uitgravingen zijn twee met leem en planken waterdicht gemaakte rechthoekige kuilen en een cirkelvormig uitgegraven schacht. Deze laatste, nog ongeveer een meter diep, was aan de binnenwand met houten vlechtwerk afgeboord. Op de bodem zijn verschillende, nog vrijwel intacte stuks aardewerk aangetroffen: een ruwwandige kom, een gladwandige kruik, en een schaaltje in geverfd aardewerk en enkele grote dakpanfragmenten. Vermoedelijk gaat het om een rituele depositie. een gelijkaardige depositie is in een andere kuil aangetroffen, temidden van een laag brandafval bevonden zich een ijzeren ketting, een halve armband in zwarte glaspasta en een bronzen voorwerp, waarvan we de functie nog niet hebben kunnen achterhalen. Ten slotte is in de zuidelijke zone nog de onderkant van een oven aangetroffen.

 

De ontdekking van een inheems-Romeinse nederzetting met woonstalhuizen, waterputten en drinkpoelen heeft mogelijk nogal wat implicaties voor ons beeld van de centrale villazone van de civitas Tungrorum. Op de eerste plaats is nu duidelijk dat zich tussen de villa's blijkbaar nog nederzettingen van een ander type bevinden. Bovendien lijken deze nederzettingen nauwelijks sporen aan de oppervlakte te hebben nagelaten. Op de tweede plaats lijkt men zich in deze nederzettingen ondermeer op (aspecten van) veehouderij te hebben toegelegd. Dit zou betekenen dat we ons de agrarische exploitatie van de regio gevarieerder moeten voorstellen dan tot nu toe gedacht. Naast akkerbouw moet nu ook aan veeteelt gedacht worden, in welke vorm dan ook (intensief, extensief of als een onderdeel van een veetreksysteem). Ten slotte kan hier nog aan toegevoegd worden dat in een recent verleden een vrijwel gelijkaardige nederzetting is opgegraven in Kerkrade - Winckelen, eveneens in een villalandschap

Middeleeuwen

Maastricht is de enige stad van Nederland die op continuïteit van bewoning sinds de Romeinse tijd kan bogen. Maar of er ook continuïtet van bestuur was is onzeker. Dat geldt dus ook voor het Grensschap.

In de vroege middeleeuwen behoorde het Grensschap tot het Frankische Merovingenrijk Austrasië met als hoofdstad Metz. Maar van grotere directe betekenis was de fiscus Maastricht vanwaar het gebied bestuurd werd. Dit was het gebied van het koninklijk landgoed of palts, die aan de noordkant van het Vrijthof lag (Ubachs, 2000 jaar Maastricht, 15). Ook de koningskerk St. Servaas behoorde hiertoe. De grenzen van deze fiscus liepen waarschijnlijk tot aan Riemst en Vlijtingen, zodat het aannemelijk is dat in deze vroege periode het Grensschap in ieder geval grotendeels onder één bestuur is geweest.

De rechten van de fiscus gingen van de Merovingen over op de Karolingen. Na de dood van Lodewijk de Vrome kwam het gebied eerst aan het Middenrijk van Lotharius (843), maar in 880 bij het verdrag van Ribemont aan de Oost-Frankische (Duitse) Rijk. De Duitse keizers traden daarmee in de rechten van de fiscus. Zij beleenden dit aan de graven van Namen (tot 1170) en Loon (1170-1214). Vanaf 1204 namen de hertogen van Brabant de rechten van de Duitse keizer over. 

De grenzen van de fiscus lijken ook later nog een rol gespeeld te hebben. Vlijtingen en Vroenhoven bleven politiek en juridisch op Maastricht geörienteerde dorpen, terwijl de overige dorpskernen van het hedendaagse Riemst aanvankelijk tot het graafschap Loon en later tot het gebied van de prins-bisschop van Luik behoorden. Vlijtingen was een vrije rijksheerlijkheid die juridisch direct viel onder het kapittel van St. Servaas. Vroenhoven (Montenaken en Heukelom) bleef behoren tot de graafschap van de Vroenhof, dat uit de fiscus was voortgekomen. Ook Veldwezelt was op Maastricht georiënteerd, maar dan op het Onze Lieve Vrouwe-kapittel, dat in de 10de eeuw namens de prins-bisschop eigen rechten in Maastricht kreeg In 1543 viel het net als Oud-Caberg onder de vrije rijksheerlijkheid Pietersheim. 

Tot 1795 bleven de jurisdicties van het St. Servaaskapittel, het Onze-Lieve Vrouwe kapittel en het graafschap van de Vroenhof bestaan. Vroenhoven kwam echter in 1632 onder de Nederlandse Staten-Generaal. Deze wilde zijn jurisdictie ook over Vlijtingen uitbreiden. Dat verzette zich daar als vrije rijksheerlijkheid lang met succes tegen, tot het in 1785 in het verdrag van Fontainebleau toch bij de Republiek gevoegd werd (Diriken 68). Zo waren in 1794 Vroenhoven, Vlijtingen, Hees en Mopertingen staats.

Vanaf 1795 maakte het gehele Grensschap deel uit van het Franse department Nedermaas.

Moderne tijd

Bij de afscheiding van België in 1839 werd het gebied van het graafschap in tweeën gesplitst. Montenaken en Heukelom (samen aangeduid als Vroenhoven) kwamen aan België, Wolder (met Caberg en Nekem) werd het kerndorp van de Nederlandse gemeente Oud-Vroenhoven.  Deze werd in 1920 door Maastricht geannexeerd, dat daarmee de verantwoordelijkheid voor landelijk erfgoed in zijn bezit kreeg. Het Belgische dorp Vroenhoven werd met negen andere dorpen in 1977 samengevoegd tot de nieuwe gemeente Riemst. Bij deze grootscheepse dorpsfusie werd Veldwezelt met Gellik en enkele andere dorpen bij Lanaken gevoegd.