Steentijd De
Neanderthaler of de Homo neanderthalensis werd in 1856 ontdekt in het
Neanderthal te Mettmann nabij Düsseldorf in Duitsland. Achteraf is
echter gebleken, dat het allereerste Neanderthalerskelet niet in
Duitsland, maar wel in België ontdekt werd, namelijk in een grot te
Engis nabij Luik en dit reeds in 1829. Tegenwoordig zijn er botten
van meer dan 400 verschillende individuen bekend. De gemiddelde
Neanderthaler was meestal niet veel groter dan 1,60 m. Hij liep
volkomen rechtop en dus niet gebogen zoals soms nog op oudere
afbeeldingen te zien is. De Neanderthaler wordt echter ook gekenmerkt
door een aantal typische anatomische karakteristieken. Neanderthalers
hadden een vrij gedrongen lichaamsbouw. Ook hun zware wenkbrauwrichels
en het ontbreken van een echte kin zijn zeer kenmerkend. Ze hadden
waarschijnlijk ook een vrij grote neus. Hun herseninhoud was gemiddeld
iets groter dan de onze. Neanderthalers aten zeer veel vlees en het
waren uitstekende jagers. De werpspeer, die een bereik had van ongeveer
25 m, was hen reeds bekend. 250.000 jaar geleden was de Neanderthaler
verbreid over grote gebieden van Europa en Azië (van Engeland tot
Irak). De Neanderthalers waren dus mensen die duidelijk niet aan
“grenzen” gebonden waren. De Neanderthaler was in feite een
“grenzeloos” wezen. Toch beïnvloedde het veranderende klimaat en
milieu de verspreiding van de Neanderthaler sterk. Neanderthalers
leefden bij voorkeur in de zogenaamde “Mammoetsteppe” met mammoets,
paarden, rendieren, enz. Dat is een relatief ‘open ‘ landschap waar de
grote kuddes grazers voldoende voedsel vonden om te overleven. Het klimaat dat hierbij hoort is eerder gematigd, niet te warm en vochtig, niet te koud en droog. Dat
wordt bevestigd door de vondsten in de archeologische sites
Belvèdére-Maastricht, Veldwezelt-Hezerwater en Kesselt-Op de
Schans. Er is geen enkele aanwijzing, dat er Neanderthalers in de
Hezerwater-vallei aanwezig waren onder echt koude en droge of echt
warme en vochtige klimatologische omstandigheden. Als het te koud was,
waren de grote kuddes dieren niet aanwezig in Noordwest-Europa. En
wanneer het klimaat tijdelijk warmer werd in tussenijstijden werd het
landschap overdekt met climax-bossen. Daarin leven geen grote kuddes,
maar veeleer solitaire dieren.Bandkeramiek In het Holoceen (10.000 jaar geleden tot nu) werd het klimaat veel
milder. De afzettingen uit het Pleistoceen – de löss – bleek relatief vruchtbare
en vooral goed ontwaterde landbouwgrond. Het was de enige grond waarop de
Bandkeramiekers – de eerste landbouwers in Europa die zich rond 5300 v.Chr. hier
vestigden - uit de voeten konden. Hun
landbouw was nog zo primitief dat er buiten de löss-gordel van hen nauwelijks
sporen gevonden zijn. Zij kapten stukken bos rondom hun boerderij om daar
landbouw te bedrijven. De boerderijen waren lange huizen, gebouwd van palen met
ertussen vlechtwerkwanden. De dorpjes van 5-7 boerderijen bleven een paar
honderd jaar bestaan. Op diverse plaatsen op het Lanakerveld zijn sporen van
dergelijk Bandkeramiekers-nederzettingen terug gevonden. Ijzertijd In de ijzertijd (na 800 v. Chr.) werden deze streken bewoond
door wat meestal wordt aangeduid als 'Keltische stammen'. Archeologen
onderscheiden meestal twee fases in de Keltische cultuur: de Hallstatt-cultuur
(750- 450 v. Chr.) en de La Tène-cultuur, waarvan de laatste fase doorloopt tot
de periode na de onderwerping door de Romeinen onder Caesar rond 50 v. Chr.
De Keltische samenleving was een sterk aristocratisch. De adel
had clienten onder zich, die elke edelman onder meer van een privé-legertje
voorzagen. Het stamhoofd had geen absoluut gezag; dat lag bij de jaarlijks
verkozen magistraten. Het stamhoofd deelde zijn macht met de adel en de druïden.
Deze adellijke cultuur werd gekenmerkt door vele conflicten over bezit van land,
delfstoffen (zout, ijzer) of plaatsen.
In Frankrijk ontwikkelden zich in de latere La Tène-fase
marktplaatsen, maar in de Lage Landen was dat veel minder het geval. Door deze
conflicten en door de urbanisatie konden de Kelten geen weerstand bieden aan de
Romeinen. Caesar zelfde meende dat de afwezigheid van stedelijke centra er de
reden van was, dat de 'Belgae' de dappersten onder de Kelten waren.
In deze streken zijn sporen van deze aristocratische Keltische
cultuur aangetroffen. In 1871 werd bij Eigenbilzen op de Kannesberg een Keltisch
'vorstengraf' uit 400 v. Chr. gevonden. Bij Neerharen kwam bij het graven van de
Zuid-Willemsvaart in 1831 een Keltische zilveren vaas uit de late La
Tène-periode uit de grond. Bij Kanne is een vluchtburcht gevonden.
De Keltische cultuur in Haspengouw behoort tot de Kempische
groep, die door akkerbouw in de vorm van Celtic Fields wordt gekenmerkt - velden
met een oppervlak van 40-60 ha, die door onregelmatige aarden walltetjes
onderverdeeld waren in delen van 15-40 ha Romeinse periode In de gemeente
Lanaken (Veldwezelt), tussen het Albertkanaal en de Nederlandse grens, ter
hoogte van de grenspalen 82 tot en met 86 wordt sinds 2000 de leemontginning van
de baksteenbakkerij Vandersanden archeologisch begeleid. Nadat een, vóór de
start van de ontginning, uitgevoerde prospectie slechts magere resultaten had
opgeleverd, was de verrassing dan ook groot toen bij de aanvang van de eerste
ontzodingen van het terrein bewoningssporen aan het licht kwamen. Twee jaar
later kunnen we een overzicht van ca. 2,5 ha nederzettingsterrein voorleggen.
Het terrein heeft sporen opgeleverd uit de bronstijd, de ijzertijd, de Romeinse
en de postmiddeleeuwse periode. Op een veel dieper niveau in de groeve zijn ook
de bewoningshorizonten uit het midden paleolithicum aan het licht gekomen. We
beperken het ovezicht tot de sporen uit de Romeinse tijd.
Het
nederzettingsterrein van Veldwezelt maakt deel uit van de Haspengouwse lösszone,
het zogenaamde villalandschap tussen de Romeinse stad Tongeren en de
vicus van Maastricht. Het ligt op slechts een 5-tal km van laatstgenoemde
nederzetting. Tot nu toe is altijd aangenomen dat de Romeins gedateerde
nederzettingsterreinen in deze regio resten van Romeinse villae
herbergen. De vondst te Veldwezelt bracht echter een bewoning van een geheel
ander type aan het licht, vergelijkbaar met de inheems-Romeinse nederzettingen
zoals we die tot nu toe in de civitas Tungrorum vooral van de noordelijke
zandgronden kennen. De bewoningssporen situeren zich langs een
diverticulum dat het terrein in ZW-NO-richting doorkruist. Twee
parallelle afwateringsgreppels, met een onderlinge afstand van ca. 5 m boorden
deze zijweg af. De nederzetting situeert zich ten noorden ervan. Ze vormt
weliswaar één geheel, maar het sporenbestand kan toch in twee zones opgedeeld
worden, een noordelijke en een zuidelijke.
In de noordelijke
zone hebben minstens vijf tweeschepige woonstalhuizen van het type Alphen-Ekeren
gestaan. Daarvan zijn alleen de rijen middenstaanders bewaard gebleven. Twee
huizen hadden 4 centrale posten en drie huizen hadden er 5. De plattegronden
kwamen in twee concentraties aan het licht, een westelijke en een oostelijke. In
de westelijke hebben twee huizen elkaar in de tijd opgevolgd, in de oostelijke
drie. De jongste twee huizen van deze laatste concentratie waren afgebrand.
Verder bevonden zich in de noordelijke zone nog drie waterputten. Ze waren
aangelegd in trechtervormige kuilen, waarvan de diameter varieert van 5 m tot 10
m. Ze zijn tot nu toe tot op een diepte van ca. 6 meter opgegraven. Naarmate de
exploitatie van de leemgroeve verdergaat, zullen we ze tot op nog grotere diepte
kunnen opgraven. Min of meer centraal tussen deze waterputten gelegen is ten
slotte nog een kunstmatig aangelegde drinkpoel opgegraven. Hij heeft een
onregelmatige vorm met afmetingen die variëren van ca. 30 m tot ca. 40 m
diameter. De maximale diepte bedraagt vanaf het opgravingsvlak gemeten nog ca.
70 cm. Oorspronkelijk moet hij dan ook iets meer dan een meter diep geweest
zijn. Zijn opvulling bestaat uit een drietal lagen. Onderaan bevindt zich een
ca. 10 cm dikke geelgroene kleilaag. Daarop ligt een dunne, slechts op enkele
plekken bewaard gebleven laag kiezel en dakpanfragmenten. De bovenste 60 à 70 cm
bestaat uit een homogeen bruingrijs gekleurde opvullingslaag. We gaan ervan uit
dat dergelijke uitgegraven depressies als drinkpoel voor vee hebben gediend. Het
aanbrengen van een kiezellaag moet beletten dat het water vertroebelt op
momenten waarop het vee in de poel staat. Al deze sporen worden ten noorden door
een greppel begrensd, die over een lengte van zowat 75 m kan gevolgd worden.
Naar alle waarschijnlijkheid is dit ook de grens van de nederzetting
geweest.
In de zuidelijke
zone, die onmiddellijk aan het diverticulum grenst, zijn de plattegronden
van nog een drie woonstalhuizen herkenbaar. Van één plattegrond zijn vier
middenstaanders bewaard gebleven, van een ander slechts twee. Een derde
plattegrond wijkt enigszins van alle anderen af. Zo zijn de paalkuilen van de
middenstaanders wat kleiner, staan ze eerder twee aan twee gegroepeerd en is hun
onderlinge afstand iets geringer. Naast (en buiten) één van deze woonstalhuizen
is een kleine kelder van ca. 2,80 m x 3 m aangetroffen. Een deel van de
binnenwanden was met mergelstenen opgebouwd en een deel in hout en leem. Dit
keldertje, waarop verder geen andere gebouwsporen aansluiten, is in de
3de eeuw afgebrand. Op de mergelstenen zijn brandsporen aanwezig, de
lemen wanden zijn door de hitte rood uitgegloeid en in de vulling zat een dit
pakket brandafval. Verder zijn de plattegronden van twee spiekers herkenbaar.
Mogelijk hebben er meer op het terrein gestaan. In de zuidelijke zone zijn meer
uitgegraven structuren aangetroffen dan in de noordelijke. De meest opvallende
is een tweede drinkpoel, eveneens onregelmatig van plattegrond, met diameters
die variëren van ca. 15 m tot ca. 25 m. Hij was vanaf het opgravingsvlak gemeten
nog een 30-tal cm diep. Ook deze poel heeft op de bodem een verharding gehad,
overwegend van dakpanfragmenten gemaakt. De zuidrand van de poel is met een
houten beschoeiing afgezet. Andere opmerkelijke uitgravingen zijn twee met leem
en planken waterdicht gemaakte rechthoekige kuilen en een cirkelvormig
uitgegraven schacht. Deze laatste, nog ongeveer een meter diep, was aan de
binnenwand met houten vlechtwerk afgeboord. Op de bodem zijn verschillende, nog
vrijwel intacte stuks aardewerk aangetroffen: een ruwwandige kom, een
gladwandige kruik, en een schaaltje in geverfd aardewerk en enkele grote
dakpanfragmenten. Vermoedelijk gaat het om een rituele depositie. een
gelijkaardige depositie is in een andere kuil aangetroffen, temidden van een
laag brandafval bevonden zich een ijzeren ketting, een halve armband in zwarte
glaspasta en een bronzen voorwerp, waarvan we de functie nog niet hebben kunnen
achterhalen. Ten slotte is in de zuidelijke zone nog de onderkant van een oven
aangetroffen.
De ontdekking van
een inheems-Romeinse nederzetting met woonstalhuizen, waterputten en drinkpoelen
heeft mogelijk nogal wat implicaties voor ons beeld van de centrale villazone
van de civitas Tungrorum. Op de eerste plaats is nu duidelijk dat zich
tussen de villa's blijkbaar nog nederzettingen van een ander type bevinden.
Bovendien lijken deze nederzettingen nauwelijks sporen aan de oppervlakte te
hebben nagelaten. Op de tweede plaats lijkt men zich in deze nederzettingen
ondermeer op (aspecten van) veehouderij te hebben toegelegd. Dit zou betekenen
dat we ons de agrarische exploitatie van de regio gevarieerder moeten
voorstellen dan tot nu toe gedacht. Naast akkerbouw moet nu ook aan veeteelt
gedacht worden, in welke vorm dan ook (intensief, extensief of als een onderdeel
van een veetreksysteem). Ten slotte kan hier nog aan toegevoegd worden dat in
een recent verleden een vrijwel gelijkaardige nederzetting is opgegraven in
Kerkrade - Winckelen, eveneens in een villalandschap Middeleeuwen Maastricht is de enige stad van Nederland die op continuïteit
van bewoning sinds de Romeinse tijd kan bogen. Maar of er ook continuïtet van
bestuur was is onzeker. Dat geldt dus ook voor het Grensschap.
In de vroege middeleeuwen behoorde het Grensschap tot het
Frankische Merovingenrijk Austrasië met als hoofdstad Metz. Maar van grotere
directe betekenis was de fiscus Maastricht vanwaar het gebied bestuurd werd. Dit
was het gebied van het koninklijk landgoed of palts, die aan de noordkant van
het Vrijthof lag (Ubachs, 2000 jaar Maastricht, 15). Ook de koningskerk
St. Servaas behoorde hiertoe. De grenzen van deze fiscus liepen waarschijnlijk
tot aan Riemst en Vlijtingen, zodat het aannemelijk is dat in deze vroege
periode het Grensschap in ieder geval grotendeels onder één bestuur is
geweest.
De rechten van de fiscus gingen van de Merovingen over op de
Karolingen. Na de dood van Lodewijk de Vrome kwam het gebied eerst aan het
Middenrijk van Lotharius (843), maar in 880 bij het verdrag van Ribemont aan de
Oost-Frankische (Duitse) Rijk. De Duitse keizers traden daarmee in de rechten
van de fiscus. Zij beleenden dit aan de graven van Namen (tot 1170) en Loon (1170-1214). Vanaf 1204 namen de hertogen
van Brabant de rechten van de Duitse keizer over. De
grenzen van de fiscus lijken ook later nog een rol gespeeld te hebben.
Vlijtingen en Vroenhoven bleven politiek en juridisch op Maastricht
geörienteerde dorpen, terwijl de overige dorpskernen van het hedendaagse Riemst
aanvankelijk tot het graafschap Loon en later tot het gebied van de
prins-bisschop van Luik behoorden. Vlijtingen was een vrije rijksheerlijkheid
die juridisch direct viel onder het kapittel van St. Servaas. Vroenhoven
(Montenaken en Heukelom) bleef behoren tot de graafschap van de Vroenhof, dat
uit de fiscus was voortgekomen. Ook Veldwezelt was op Maastricht georiënteerd,
maar dan op het Onze Lieve Vrouwe-kapittel, dat in de 10de eeuw namens de
prins-bisschop eigen rechten in Maastricht kreeg In 1543 viel het net als
Oud-Caberg onder de vrije rijksheerlijkheid Pietersheim.
Tot 1795 bleven de jurisdicties van het St. Servaaskapittel, het
Onze-Lieve Vrouwe kapittel en het graafschap van de Vroenhof bestaan. Vroenhoven
kwam echter in 1632 onder de Nederlandse Staten-Generaal. Deze wilde zijn
jurisdictie ook over Vlijtingen uitbreiden. Dat verzette zich daar als vrije
rijksheerlijkheid lang met succes tegen, tot het in 1785 in het verdrag van
Fontainebleau toch bij de Republiek gevoegd werd (Diriken 68). Zo waren in 1794 Vroenhoven, Vlijtingen,
Hees en Mopertingen staats.
Vanaf 1795 maakte het gehele Grensschap deel uit van het Franse
department Nedermaas.
Moderne tijd Bij
de afscheiding van België in 1839 werd het gebied van het graafschap in
tweeën gesplitst. Montenaken en Heukelom (samen aangeduid als
Vroenhoven) kwamen aan België, Wolder (met Caberg en Nekem) werd
het kerndorp van de Nederlandse gemeente Oud-Vroenhoven. Deze
werd in 1920 door Maastricht geannexeerd, dat daarmee de
verantwoordelijkheid voor landelijk erfgoed in zijn bezit kreeg. Het
Belgische dorp Vroenhoven werd met negen andere dorpen in 1977
samengevoegd tot de nieuwe gemeente Riemst. Bij deze grootscheepse
dorpsfusie werd Veldwezelt met Gellik en enkele andere dorpen bij
Lanaken gevoegd. |
|