


| voor vergrote kaart, klik op bovenstaande kaart | ||
Een uitgebreid artikel over de gebeurtenis van 1703 vint u in: Daenen, Julien, "14 mei 1703: een vergeten fase uit de Spaanse Successie-oorlog", Wiosello, XVIII (2003) 217-231. 14
mei 1703, een vergeten fase uit de Spaanse Successie-oorlog ---------------------------------------------------------------------------Julien
Daenen-- Het is dit jaar driehonderd jaar geleden dat er bij
Veldwezelt een memorabel militair treffen plaatsvond. Dat het niet om een
triviale gebeurtenis ging, blijkt uit de aandacht die men in die tijd aan het
gebeuren bij Veldwezelt besteedde. Die aandacht vinden we terug in de kaarten
die in Frankrijk en Engeland op de markt verschenen. Jaren geleden kon ik tegen
een heel zacht prijsje een exemplaar op de kop tikken op de antiekmarkt van
Tongeren. Bij mijn weten ging het om de eerste historische kaart waarop
Veldwezelt en Kesselt een centrale plaats kregen toebedeeld. Wat voor
belangrijks moet hier dan gebeurd zijn, dat de kaartenmakers van de achttiende
eeuw er een kaart aan besteedden ? In
wat volgt proberen we de achtergronden van het voorval te schetsen en tot een
reconstructie te komen. Het brede kader: de Spaanse
Successieoorlog (1701-1714)[1] Het
treffen bij Veldwezelt had plaats tijdens de beginjaren van de Spaanse
Successie-oorlog. Deze oorlog brak los rond de erfopvolging van de Spaanse
troon. De kinderloze Spaanse koning Karel II had als opvolger voor het Spaanse
rijk, waartoe ook onze buren de Zuidelijke Nederlanden behoorden, de kleinzoon
van de Zonnekoning Louis XIV aangewezen, met name de hertog van Anjou uit het
huis van Bourbon. Er waren echter nog meer gegadigden voor de erfenis. Dat
waren Jozef-Ferdinand van Beieren en een niet onbelangrijke derde, namelijk
keizer Leopold van Oostenrijk, die de Spaanse troon rechtmatig opeiste voor
zijn zoon Karel (de latere keizer Karel VI). De
erfopvolging liet de andere Europese staten niet onberoerd. Zo Frankrijk en
Spanje onder het gezag van de Bourbons zouden komen, vreesden Engeland en
Holland ten zeerste voor hun aandeel in de wereldhandel. Anderzijds stonden
Engeland, Holland en Frankrijk afkerig tegenover de plannen van keizer Leopold,
want dat zou de Habsburgers te veel territorium en macht op het Europese
vasteland geven. Verschillende coalities werden gevormd en ook weer ontbonden,
niet in het minst na de dood van pretendent Jozef-Ferdinand van Beieren (1699).
Uiteindelijk
stond in september 1701 een Frans-Spaans alliantie tegenover een alliantie
Oostenrijk-Engeland-Pruisen-Denemarken-Hannover en Holland (het Haags Verbond).
Deze laatste alliantie wordt in de literatuur de Geallieerden genoemd.
Frankrijk had ondertussen zonder slag of stoot al uitvoering gegeven aan zijn
vermeende rechten en de vestingsteden in de Zuidelijke Nederlanden onder zijn
gezag gesteld. Ons
eigen staatshoofd van het prinsbisdom Luik, de toenmalige prinsbisschop
Jozef-Clemens van Beieren, tevens elect van het aartsbisdom Keulen, koos partij
voor de Fransen, alhoewel ons land militair niets voorstelde op het Europese
forum. De beginjaren van de oorlog In
1701 hadden de eerste vijandelijkheden plaats tussen Franse en keizerlijke
troepen in het noorden van Italië. Pas in 1702 kwam de oorlog tot volle
ontplooiing. De lezer kan de voornaamste gebeurtenissen volgen op de
bijgevoegde kaart. In datzelfde jaar kreeg onze regio van nabij te maken met
het oorlogsgeweld toen het Geallieerde leger de Fransen uit de Maasregio
probeerde te verdrijven. Het Geallieerde leger stond onder leiding van John
Churchill (1650-1722), jawel de man die in de volksoverlevering als Malbroek is
blijven voortbestaan. Eind augustus kampeerden de Geallieerden tussen Genk en
As, en deden talloze opeisingen in de hele regio. Bijna een jaar later zou
Peter Caenen van Veldwezelt zijn
schade laten optekenen. Het waren Peter Gielen
en Johannes Bastiaens die voor hem
bij de notaris kwamen getuigen “waer en waerachtig te wesen dat den requirent
(verzoeker nl. Caenen) voorleden jaer alswanneer de armee bij Asch, Suetendael
en Ginckt gestaen heeft, seer grooten schaede van fourageringe geleden heeft,
signantelijck op een stuck van seven groot roeden in ‘t Comfelder velt gelegen
besaijt met wicken die den requirent alreede gebonden hadde om te laeten
inhaelen (maar) waer van niet een spier behouden heeft.” Dan
volgt er in de notarisakte een lange opsomming van geplunderde landerijen,
blijkbaar pachtlanderijen van het Sint-Servaaskapittel, waarvan ook heel wat
opbrengst uit Caenens schuur was gehaald, want Gielen en Bastiaens wisten te
vertellen “dat sij bij den requirent den geheelen somer
gewerckt hebben, jae dat sij op den selver tijt als wanneer de generaele
voudrageringe (algemene fouragering) geschiede op twee dinnen stonden en
dorssen om de verschulde graenen aan de h(oogedele) h(eren) van St Servaes te
leveren soo dat sij wel weeten dat den requirent alles is quijtgeraeckt.”[2] Het
jaar 1702 zou overigens een zegetocht worden voor de fameuse John Churchill.
Het leverde hem de titel hertog van Marlborough op, in de overlevering
verbasterd tot Malbroek. Begin oktober vielen Stevensweert en Roermond in de
handen van de Geallieerden, maar het succes van generaal Marlborough werd
bekroond in oktober met de inname van Luik. De hoofdstad van ons land was in
feite bijna niet te verdedigen. Dat lag zowel aan de grote hoogteverschillen
binnen de stad als aan het feit dat de stad met buitenwijken was omringd.
Derhalve verschansten de Fransen zich in de twee bekende stadsvestingen: de
citadel en het fort La Chartreuse. De
Franse bezetting van de citadel moest zich overgeven na tien dagen hevig
verzet, La Chartreuse bezweek op 29 oktober. Met dit wapenfeit kwam de campagne
van 1702 tot haar einde. De streek kon zich gereed maken voor de
winterkwartieren van de Geallieerde troepen, een weinig opbeurend vooruitzicht. Het jaar 1703 Omtrent
de gebeurtenissen van het jaar 1703 in onze streek valt weinig te vinden in de Geschiedenis der beide Limburgen van dr.
Jappe Alberts.[3] Hij
besteedde luttele regels aan het gebeuren: “… Een Frans leger bracht de winter
1702-1703 door in de omgeving van Tongeren, bezette de stad en deed in het
voorjaar 1703 een aanval op Maastricht. Gedurende geruime tijd stonden de
legers tegenover elkaar tussen Tongeren en Maastricht totdat de Fransen door Marlborough
verdreven werden. Na de verovering van Limburg aan de Vesder en Gelder waren
onze streken begin 1704 volledig van de Franse troepen bevrijd….” Andere
bronnen bezorgden ons gelukkig wat meer toelichting. Verreweg het meeste detail
danken we aan dr. Wijn, meer bepaald deel 8 van zijn prestigieuze reeks over
het Staatse leger.[4] Wat hier
volgt is dan ook grotendeels aan hem ontleend. Generaal Marlborough arriveerde
vanuit Engeland in Den Haag op 17 maart 1703. Daar raadpleegde hij de Staten
van Holland over hun financiële en logistieke inbreng voor de campagne. Het
eerste doel zou de verovering van Bonn worden. Deze stad was de hoofdstad van
het aartsbisdom Keulen, dat zich aan de Franse zijde had geschaard. Tijdens het
beleg van Bonn zou een observatieleger naar Maastricht gedetacheerd worden, een
soort buffer tegen de Franse hoofdmacht in Brabant. Op 13 april arriveerde de
Engelse hertog in Maastricht, op 18 april vertrok hij naar Keulen.[5]
De
Geallieerde plannen bleven de Fransen niet
lang onbekend. Niet lang daarna ontstond bij deze het plan om van de
concentratie van de troepen bij Bonn gebruik te maken om het Maasleger bij
Maastricht uit te schakelen. De operaties van het Franse leger stonden onder
het bevel van de maarschalken Boufflers[6]
en Villeroy[7]. Het Franse
hoofdleger bestond uit 60 bataljons (infanterie) en 103 eskadrons (cavalerie).
Toen Boufflers en Villars vernamen dat het Geallieerde Maasleger rond 10 mei
bij Lanaken zou samenkomen en dat de Engelse troepenonderdelen zich bij
Eindhoven klaarmaakten, besloten ze tot de actie over te gaan. Hiervoor hadden
zij twee legers ter beschikking : een noordelijk bij Tienen gekampeerd (35
bataljons en 45 eskadrons) en een zuidelijk bij Wasseige aan de Mehaigne (19
bataljons en 48 eskadrons). De samengetrokken Hollandse troepen bij Lanaken
bestonden van hun kant uit 24 bataljons en 54 eskadrons, terwijl de verwachte
versterking van de Engelsen bestond uit 16 bataljons en 17 eskadrons. Dit
Geallieerd observatieleger stond onder leiding van graaf Hendrik van
Nassau-Ouwerkerk (op de kaart : d’Auverquerque).[8] Aanvankelijk
was het Franse opperbevel van plan het beleg van Luik te slaan. Lodewijk XIV
had hiervoor reeds zijn toestemming gegeven, op voorwaarde dat Luik terug in
zijn handen kon komen voor de val van Bonn. Maar de opmars van Franse troepen
door het Zwarte Woud naar Beieren verliep zo voorspoedig dat de Franse
maarschalk Villars een beleg van Luik niet meer dringend vond. Een succesvolle
veldtocht daar zou de gebeurtenissen snel in hun voordeel doen veranderen en
bovendien was het maar de vraag of Luik heroverd kon worden voor de val van
Bonn. Tegen deze achtergrond groeide het andere plan van de Franse maarschalken
met name het overvallen van het Maasleger nog voor alle troepen voor Maastricht
zouden zijn samengetrokken. Overigens meende Villeroy dat er haast meer gepaard
was zo men die operatie met succes wilde uitvoeren, want hij had het (onware)
bericht ontvangen dat Marlborough met troepen van Bonn naar Maastricht onderweg
was. Villeroy beschreef zijn plan met het Maasleger als volgt: “Zo ze in hun
kwartieren blijven hangen en zich niet groeperen, dan maken we een geforceerde
mars en verassen hen. Zo ze zich rangeren voor ons, dan proberen we het gevecht
aan te gaan, zo dat ons voordeel kan opleveren.” Op
8 mei verenigden de beide eerder genoemde Franse legers zich bij Montenaken; de
troepensterkte bedroeg nu 56 bataljons en 103 eskadrons. Diezelfde dag werd
vernomen dat Marlbrough nog bij Bonn was, dat de Engelsen nog niet waren
aangekomen en dat de Hollandse troepen nog verspreid lagen in hun
kantonnementen tussen Maastricht, Tongeren en Bilzen. De Franse opmars zou
bijgevolg het eerst Tongeren bereiken. Op 9 mei begon de Franse opmars in acht
kolonnes. De opmars van de cavalerie liep evenwel wat vertraging op met als
gevolg dat de meeste Geallieerde afdelingen in de streek van Tongeren de kans
kregen zich veilig terug te trekken onder het geschut van Maastricht. Om
strategische redenen had Ouwerkerk twee bataljons (samen ±850 man) het bevel
gegeven in Tongeren te blijven en het stadje zo lang mogelijk te houden. Op 9
mei sloegen de Fransen het beleg. Tongeren maakte in feite geen kans: het had
geen vestingwerken maar alleen een oude ringmuur, de aanwezige artillerie en
munitie was pover, en het garnizoen was niet bij machte de stadsmuren naar
behoren te bezetten. Om half vijf werd de stad onder vuur genomen door een
Franse batterij van acht stukken. In de morgen van 10 mei werd het vuur
heropend, maar de belegerden lieten dezelfde morgen om half vijf de chamade
slaan. Het garnizoen gaf zich over, de officieren vroegen als ‘gentilhommes’
behandeld te worden.[9]
In totaal namen de Fransen 1100 man gevangen. Met
het succes bij Tongeren waren de Fransen natuurlijk vereerd. Dat kon het
mislukken van de versnelde mars naar Maastricht engiszins vergoeilijken.
Ouwerkerk wist overigens al de 7de mei dat de Franse legers zich aan
het groeperen waren, dus was er van een verassing moeilijk sprake. Hij zond
spoedorders naar de Engelse troepen, die bij Maaseik waren gearriveerd, en naar
de garnizoenen van Roermond en Luik, met het verzoek zich zo snel mogelijk naar
Maastricht te begeven. In de avond van de 8ste mei liet Ouwerkerk
alle beschikbare troepen oprukken, inclusief het garnizoen van Maastricht, maar
een poging op de 9de om Tongeren te redden met een twintigtal
eskadrons kwam te laat omdat de stad al was ingesloten. In de namiddag van de 9de
arriveerde dan de verhoopte versterking namelijk de Engelsen en het merendeel
van het garnizoen van Luik, dat nog vijf bataljons achterhield voor het
beschermen van zijn twee verzwakte vestingen. Het weze vermeld dat Ouwerkerk
geen exact idee had (en ook niet kon hebben) van de Franse troepensterkte. Hij
wist alleen dat de Franse troepensterkte op zijn minst gelijk en wellicht
groter was dan de zijne. In
de ochtend van de 10de mei was het Geallieerde Maasleger quasi op
volle sterkte en Ouwerkerk liet zijn troepen kamperen met de linkervleugel tot
aan de vestingwerken van Maastricht en de rechtervleugel haaks op de
hoofdstraat (de huidige Stationsstraat) van Lanaken-Pietersheim, met de
Winterbeek als flankdekking. Daarna besprak hij met zijn generaals het plan om
verder op te trekken om te voorkomen dat de Fransen het beleg van Luik zouden
slaan, maar zijn staf raadde hem dit af zolang het beleg van Bonn voortduurde. En toen… gebeurde er (bijna)
niets Wat
de Fransen de dagen nadien mag bezield hebben, is een raadsel. Beide legers
lagen quasi in slagorde tegenover elkaar opgesteld. Dr. Wijn schrijft: “Immers ook al was het vijandelijk leger de 10de
in hoofdzaak geconcentreerd, dan nog was het (voor de Fransen) zaak de
Geallieerden geen tijd te gunnen hun positie te versterken. In plaats daarvan
gingen vier dagen ongebruikt voorbij. Het Franse leger stelde zich pas in de
nacht van 13 op 14 mei in beweging. Ten gevolge van duisternis hadden de
Fransen veel vertraging.” Pas
de 13de mei observeerden de Geallieerden dat de Fransen vanzinnens
waren een aanvallende beweging in te zetten. Daarop werden de kwartiermeesters
om drie uur ‘s nachts voor het leger uitgezonden om de plaatsen ‘af te
teeckenen’ voor de verschillende bataljons en eskadrons. Wijn vervolgt: “Omstreeks vijf uur des morgens van de 14e
kwamen de eerste Franse ruiters in zicht, en tegelijkertijd brachten verkenners
de zekerheid van de vijandelijke opmars. Half zeven stond het leger der
bondgenoten in slagorde; een half uur later verschenen Franse strijdkrachten
insgelijks in slagorde op de tegenoverliggende heuvels.” De kaart Het
is in deze spannende fase dat de historische kaart ten tonele komt. Deze bevat
in vertaling volgende titel:
Onderaan
de kaart staat volgende legende (vert.) :
Met
de twee kronen wordt allicht die van Spanje en Frankrijk bedoeld. Van de kaart
bestaan op zijn minst vier versies die alleen in de opmaak van de hoofding
verschillen. Men kan ze raadplegen in de kaartcollectie van het stadarchief te
Maastricht. Volgens mijn exemplaar[11]
maakte de kaart deel uit van “Mr.
Tindal’s voortzetting van Mr. Rapins Geschiedenis van Engeland”. Dit zegt
mogelijk iets over de oorspronkelijke bedoeling van de aanmaak, tenminste voor
zover het niet gaat om een plagiaatversie. Een aanwijzing hiervoor is het
uitermate gelijkend exemplaar in het stadsarchief dat een andere hoofding
heeft. Volgens die versie zou de kaart aangemaakt naar een tekening van ene
G.J. Mosburger uit het Staatse dragonderregiment van generaal Dopff .[12]
Die vermelding geeft een meer logische verklaring voor de vele correcte details
in de kaart, want zoals men weet is de naam Dopff nauw met de streek verbonden
als bouwer van het huidige kasteel Neercanne. Zoals
gezegd stond het Geallieerde leger in linie opgesteld tussen de vestingwerken
van Maastricht en Lanaken. De lezer vindt de posities (gedeeltelijk)
gereconstrueerd op een kaart uit de vroege 20ste eeuw. De aanleg van het
Albertkanaal heeft immers het ‘champs de bataille’ en het oude wegenpatroon fel
verstoord. Twee langgerekte infanterielinies stonden opgesteld achter de weg
van Caberg naar Lanaken. Deze weg bereikte Lanaken vroeger ter hoogte van het
H.Hartcollege (het Montaignehof). Langs deze weg waren een aantal versterkingen
opgeworpen, onder andere rond Caberg, en waren verschillende batterijen
opgesteld, volgens de kaart een negental. Op de linkervleugel terzijde van
Caberg stond Geallieerde cavalerie. Deze dekte ook de infanterie tussen Caberg
en Lanaken, maar daar stond ze achter de infanterielinies opgesteld. Deze
opstelling was niet zonder risico, merkt Wijn op, want een eventuele aftocht
van de Geallieerden, die logischerwijze de kanonnen van Maastricht zouden
opzoeken, kon alleen op de linkervleugel gebeuren. Een doorbraak op het midden
zou een groot deel van leger afzonderen en geheel uitschakelen. De
Franse infanterie van zijn kant stond opgesteld tussen de Dousberg en Convelt.
De infanterielinies liepen pal door Veldwezelt; ze volgden met name de
voormalige Onderste weg. Zowel op de linker- als de rechtervleugel werd de
infanterie geflankeerd door de cavalerie, op de linkervleugel tussen Convelt en
Gellik, op de rechtervleugel op de strategische hoogte van de Dousberg. Tussen
beide legers lag het gehucht Briegden en de weg van Briegden naar Maastricht,
de oude Rostraat. Dit terrein vormde een zacht dal tussen beide kampen, deels
gevormd door de afwatering van de Grote Zouw. Beide legers hadden alzo een
lengte van ongeveer vier kilometer. De afloop van 14 mei Wijn
vervolgt: “De Fransen schenen aanstalten te maken voor een aanval op de
rechtervleugel der Geallieerden, waarop deze hierheen infanterie en cavalerie
van de linker overbrachten en maatregelen namen tot beveiliging van hun
rechterflank. Tot vier uur in de namiddag stonden de tegenstanders tegenover
elkaar op een 2000 m afstand. Tenslotte oordeelde Villeroy de aanval toch
onraadzaam en op het genoemde uur begonnen de Fransen de terugtocht langs
dezelfde wag waarlangs zij gekomen waren. Niet
moeilijk in te zien, dat het hier gevoerde beleid het moreel en zelfvertrouwen
der Fransen, en evenzeer het vertrouwen in het leiding niet ten goed moest
komen, te meer omdat veel Franse aanvoerders van oordeel waren, dat een
krachtige aanval op het centrum van Ouwerkerks stelling wel degelijk met kans
van slagen ondernomen had kunnen worden. Voor
de Geallieerden stond het gebeurde gelijk met een overwinning. Algemeen had men
hier een Franse aanval verwacht, er heerste slechts één roep over de
oordeelkundige maatregelen van de opperbevelhebber (Ouwerkerk), de voorbeeldige
eensgezindheid en samenwerking tussen de generaals, de vastberaden houding der
troepen en de zekerheid waarmee alle bewegingen werden uitgevoerd ‘sonder de
minste disordre ofte confusie’. Na een dag vol emotie werd om zes uur het kamp
weer betrokken. De Fransen keerden, in de volle zin des woords met de kous op
de kop terug in hun legerplaats bij Bommershoven, ten westen van Tongeren. De
koning vond, anders dan vele officieren, geen reden de overgrote
voorzichtigheid van Villeroy te laken. In
allen gevalle was het leger van Ouwerkerk aan een gevaar ontsnapt.
Voorzichtiger ware het ongetwijfeld geweest, de strijdkrachten eerder te
concentreren en met name de Engelsen eerder aan te trekken. Joost van Keppel,
een van Ouwerkerks onderbevelhebbers, maakte zich tot tolk van een kritiek, die
vermoedelijk ook bij anderen weerklank vond, wanneer hij aan Heinsius[13]
schrijft dat men te veel ‘complaisance’ met de Engelse troepen gehad heeft; had
men hen eerder op mars doen gaan, dan het was échec van Tongeren niet nodig
geweest. Daarentegen
voelde men in het leger de actie van de 14de als een overwinning
aan, in ieder geval als een succesvolle dag, ondanks het feit dat er niet
gevochten was, en men meende op zekere blijken van erkenning van de zijde der
Staten (in Den Haag) aanspraak te mogen maken. Grote ontevredenheid heerste dan
ook, toen na afloop van enige dagen ieder blijk van waardering uitbleef.
Ouwerkerk beklaagde zich heftig dat de rescriptie, welke de Staten op het door
hem ingediende rapport hadden gezonden, geen spoor van erkentelijkheid bevatte
voor de aan de dag gelegde ‘ongelofelijke moeite en ijver’. Zeker
zou een betuiging van tevredenheid niet misplaatst geweest zijn, hoewel men
anderzijds moeilijk van de Staten kan verlangen dat zij veel werk zouden maken
van een actie waarbij, met alle waardering voor het houding der troepen en het
beleid van de aanvoerders, nu eenmaal geen schot gelost was.” Helaas
geeft Wijn niet meer detail bij de achtergrond van de Franse beslissing,
wellicht omdat hij geen onderzoek heeft gedaan in de Franse militaire
correspondentie. Voorlopig blijven de preciese motieven van Villars en Villeroy
voor het ‘afzeggen’ van de aangekondigde veldslag voor ons verborgen. Kwamen
zij terug op hun beslissing omdat het verassingseffect verloren was gegaan ?
Speelde het terrein in hun nadeel ? Eigenlijk konden zij niet anders dan een
aanval op de linkervleugel van de Geallieerden wagen. Zo ze de rechtervleugel
zouden aanvallen, dan kon het merendeel van het leger zich desnoods
terugtrekken binnen de vestingwerken van Maastricht. Een aanval op links bood
dus meer strategische kansen, waarbij dan zeker het versterkte gehucht Caberg
overrompeld zou moeten worden om een situatie à la Lafelt vijftig jaar later te
voorkomen. Vervolgens was het opletten geblazen dat de Franse troepen dan niet
geprangd zouden raken tussen de vestingwerken, het Maasdal en de Geallieerde
rechtervleugel. Wat er ook van zij, vermoedelijk heeft vrees of, om het
eufemistisch te zeggen, voorzichtigheid het bij het Franse opperbevel gehaald
op moed, ondanks het Franse numerieke overwicht. Gelukkig
voor ons, mogen we eveneens zeggen. Wat stond onze voorouders te wachten
wanneer de strijd in en rond onze dorpjes toch zou zijn losgebarsten ? Dan had
de naam van Veldwezelt misschien wat vaker in de geschiedenisboeken gestaan,
maar helaas met bloedkleurige letters. Addendum - twee historische
verslagen In
de goed voorziene collectie oude drukken van de Stadsbibliotheek van Maastricht
bevinden zich meerdere historische werken die de episode 1703 behandelen, zij
het vaak summier. Twee getraceerde voorbeelden wil ik hier weerhouden. Het
eerste fragment stamt uit de lijvige “Oorlogskundige
beschryvinge van de veldslagen en belegeringen der drie doorluchtige en
wydvermaarde krygsoversten, hunne vorstelijke hoogheden den prins Eugenius van
Savoye, den Prins en Hertog van Marlborough, en den prins van Oranje- en
Nassau-Vriesland”, door Jean Du Mont, baron de
Carelskroon, ‘s Gravenhaage, 1729 In
dit boek komt het beleg van Bonn, dat ook door de fameuze baron Coehoorn werd
gevolgd, uitvoerig ter sprake. De stad werd ingesloten op 24 april, van 3 op 4
mei werden de loopgraven geopend, op 15 mei werd de chamade geslagen. Op pagina
87 vervolgt de schrijver: “Mylord de Hertog, naa de zelve een eerlyk Verdrag
te hebben toegestaan, vertrok den 17. Van Bon, en kwam den 19. ‘s morgens in ‘t
Leger der Bondgenooten, dat toen, onder ‘t Opperbevel van den Veldmaarschalk
van Ouwerkerk, by Maastricht stondt, aan. Hij monsterde den 21. de Ruytery, en den 22. ‘t Voetvolk. Hij kreeg
vervolgens, eenige dagen daarnaa, nog twaalf Bataillons en 25. Esquadrons, die
tot de Belegering van Bon gediend hadden, by zich, en eenige dagen daarna, het
overige der Troepen. Het Fransch Leger, gebooden door de Maarschalken van
Villeroi en Boufflers, en sterk 54 bataillons en 103. Esquadrons, lag gelegerd
aan de kant van Tongere. De beyde Legers maakten verscheyde beweegingen; de
Generaals, een iegelyck van zynen kant, trachtende de oogemerken zyns Vyands te
doorgronden. Degene van Mylord de Hertog waaren, om Braband in te dringen. Wy
zullen ons niet ophouden met alle de Marschen, die de beyde Legers tot den 22.
Juny deeden, by te brengen….” De
auteur gaan daarop over naar de omstandigheden van en de aanloop naar de slag
bij Ekeren op 30 juni 1703. Het werk bevat eveneens een versie van de kaart van
het treffen bij Veldwezelt. Meer
detail treffen we aan in J.L.Schuer, Nederlands
Merkwaardigste Gebeurtenissen sedert bijna twee Eeuwen, Vervattende een
aaneengeschakeld verhaal der wisselvalligheden zo in voor- als tegenspoed, ons
Vaderland overgekomen, enz., Amsterdam, by Steven van Esveldt, (1751), boek
2, p. 357-359. Na
het aanhalen van het beleg van Bonn, dat zich overgaf aan Marlborough op 15 mei,
vervolgt de schrijver: “Villeroi en Bouflers, Maarschalken van Vrankryk,
menende dat zy gedurende dat beleg het leger der Bondgenoten, het welk de Heer
van Ouwerkerk, na de dood van Athlone tot Veldmaarschalk verheven, ontrent
Maastricht verzamelde, zouden kunnen overrompelen, de stadt zelf bombarderen,
en dan op Luik los gaan, begaven zich ten dien einde by nacht op weg, en kwamen
den 9. Mey niet verre van Tongeren met een leger van 40000 man. Maar twee bataillons voetvolk in die plaats
geworpen, hielden door hunne manhafte tegenweer de vyanden acht en twintig
uuren op, waar door de Bondgenoten tydt kregen, zich tusschen Mastricht en
Lonaken in behoorlyken staat van tegenweer te stellen, zulx de twee Fransche
Maarschalken, hen in dien staat vindende, hen niet dorsten aantasten. De Hertog van Marlborough, vervolgens by hen
gekomen zynde, schenen de Franschen hem slag te willen leveren; maar ziende,
dat de Hertog daar toe bereid was, weken ze terug in hunne liniën, verlatende
mede de stad Tongeren. De Hertog,
bemerkende dat hy hen tot een gevecht niet zou kunnen brengen, besloot hunne
liniën te vermeesteren” Hetgeen
generaal Coehoorn en baron Spar lukte te Kallo en bij Waas. [1] Gegevens op basis van de Kroniek van Belgie, 1987, Antwerpen-Zaventem. P.-J. Maas, Marlborough dans la Campine limbourgeoise, in L’Ancien Pays de Looz, jg. 8 (1904), p. 5-6, 9, 17-20. Olaf van Nimwegen, De subsistentie van het leger, Amsterdam, 1995, in het bijzonder de hoofdstukken 6 (Kaiserswerth en de vestingen op de Maas-1702) en 7 (Het ‘grote dessein’-1703). [2] SAM, Notariaat, notaris Demelinne, dd. 29.06.1703. I.v.m. de impact op het platteland: - J.Brouwers, De tienden en het patronaatsrecht te Grote-Spouwen, in: Limburg, 56 (1987), p.194: Guilielmus Daenen zou de pacht tot 1716 houden. In 1702 kreeg hij korting op zijn pacht omdat al de zomervruchten en een groot deel van de harde vruchten in beslag waren genomen door het leger dat gedurende 47 dagen te Lanaken en te Genk gekampeerd had. Bijna al het stro was geconfiskeerd zowel op het veld als in de schuren. Voor 1703 kreeg hij opnieuw korting ter oorzake van gedwongen leveringen aan de Hollandse en Engelse troepen die een maand lang tussen Tongeren en Alden Biesen gelegerd waren en geen enkele bussel stro meer in het dorp hadden overgelaten. - Raph. Verbois, Geschiedenis van Rekem en zijn keizerlijk graafschap, 1972, p.309 (met name over het voorjaar en najaar van 1702) - J.Brouwers, Lanaken in oorlogstijden, in: Maaslandia, bundel geschiedkundige opstellen over het Limbrugse Maasland, Lanaken, 1984, p.38-39 (over 1702 o.a. epidemie en 1703) Zie ook diens referentieoverzicht met betrekking tot deze episode. [3] Prof. dr. W. Jappe Alberts, Geschiedenis der beide Limburgen, Assen, 1983, deel 2, p. 51-52 [4] Dr. J.W. Wijn, Het Staatsche leger, deel 8 (de Spaanse successieoorlog), ‘s Gravenhage, 1956. [5] Alexander Schaepkens, Annales de Maestricht depuis 1632 jusqu’a 1708, in: Publications, 2 (1856-1858), p.156. [6] Louis-François, hertog van Boufflers, graaf van Cagny (1644-1711), marechal de France (1692). [7] François de Neufville, hertog van Villeroi (1643-1730), gunsteling van Louis XIV en madame de Maintenon, marechal de France (1693), leed de nederlaag tegen Marlborough bij Ramillies (1706). [8] Graaf Hendrik van Nassau, heer van Ouwerkerk en Woudenberg (1640-1708), achterneef van stadhouder Willem III. [9] Het betrof het bataljon Van Elst en het Schots bataljon Portmore. John Smith, één van de krijgsgevangenen, zou zijn wedervaren te Tongeren opschrijven in zijn ‘Remembrance’. [10] Plan of the camp of the Army of the Allies, commanded by Monsr. D’Auverquerque, and the manner in which it was drawn up in Battle, when the Army of the two Crowns advanced to Attack it May 14th 1703. [11] Identiek exemplaar als Stadsarchief Maastricht, kaartcollectie GAM, nr. 1087; zeer gelijkend is tevens GAM, nr. 1019, gedateerd ca. 1705. [12] Plan of the Camp of the Army of the Allies Commanded by Gen. Auserquerque & its Disposition in BattleArray when the Army of the two Crowns under the Marshalls Villeroy & Bouflers came to Attack it May 14 1703 - G.J.Mosburger of the Regim. of Dopff Dragoons made this Plan. (kaartcollectie GAM, nr. 1062; erg gelijkend is het exemplaar GAM, nr. 1086, gedateerd 1779, afkomstig uit Dumont, Histoire militaire du prince Eugene etc., 1779) [13] Anthonie Heinsius, griffier van de Staten-Generaal in Den Haag. | Links naar betrokken landmarks:![]() |